Ahmadiyya Moslim Gemeenschap

Nederland

De Heilige Profeet en Afgoderij.

William  Muir,  Montgommery  Watt  en  vele  andere orientalisten beweren dat de Heilige profeet Mohammed (v.z.m.h.) op een bepaald moment tot  een vergelijk was gekomen met de afgodendienst van de Arabieren en dat hij hun godinnen Lat, Uzza en Manat met de macht had bekleed  om tussen de mens en Allah te kunnen bemiddelen. Zij houden vol dat de verzen van  de Heilige  Koran, die  deze status aan bovenvermelde  afgoden verleende later door afkeurende verzen werden vervangen.        

Volgens Muir bleven deze  satanische verzen  voor enige  dagen en waarschijnlijk  zelfs  langer  een  deel  van  de  Heilige Koran, waarschijnlijk zo lang totdat een melding hierover de bannelingen in  Abessinie  kon  bereiken  en hen genoeg zelfvertrouwen gaf om naar Mekka terug te keren. 

Montgommery  Watt  beweert  dat  deze  verzen  voordat  ze werden afgeschaft voor  enige weken en zelfs maanden een onderdeel waren van de Heilige Koran.        

Brockelmann zegt dat de Heilige profeet  de satanische  verzen de volgende dag verloochende.        

Het meningsverschil  over de duur van het beweerde vergelijk laat reeds zien dat het hele verhaal subjectief is en een middel om de Heilige profeet in diskrediet te brengen.

Om  deze  stelling  te  bewijzen  citeren  zij enige tradities en verzen van de Heilige Koran.

Voordat wij de zaak verder onderzoeken  zullen wij  hen eerst hun verhaal laten vertellen.        

Zij zeggen: 

              "Met  het  oog  op  de  lage  status  van zijn volgelingen en het
               prestige dat hij zou winnen indien de Quraish  zijn geloof zouden
               aanvaarden dacht  de Heilige Profeet er over om in te stemmen met
               hun wensen en hun afgoden te  aanvaarden. Op  een dag,  bijna aan
               het einde  van het  vijfde jaar van zijn goddelijke opdracht kwam
               hij bij de Ka'ba, waar sommigen van zijn volgelingen reeds zaten.
               Zich bij hen voegende begon hij hoofdstuk al-Najm te reciteren.
               Op het  moment dat hij het vers ging reciteren dat melding maakte
               van de Arabische godinnen  kwam  Satan  tussenbeide  en  legde de
               volgende verzen  op zijn  tong: “Nu  vertel mij over Lat, Uzza en
               Manat? Deze zijn verheven  vrouwen,  wiens  bemiddeling  dient te
               worden gezocht.”
        
               Toen de  Heilige profeet  de recitatie  van het hoofdstuk met dit
               vers had beëindigd, en eindigde met de woorden: "Dus werp u neder
               voor Allah en aanbid Hem”, wierp de hele gemeente zich neer op de
               grond. De  Quraish waren  bijzonder verheugd  dat er uiteindelijk
               een  vergelijk  tot  stand  was  gekomen tussen hen en de Heilige
               Profeet. Maar nadat hij zich had  gerealiseerd dat  het vergelijk
               zijn missie  eerder zou  bemoeilijken dan  vergemakkelijken en na
               protest van  Gabriel  tegen  deze  afdwaling  werden  deze verzen
               vervangen door de volgende:
       
              "Zijn voor U de mannelijke wezens en voor Hem de vrouwelijke? Dat
               is dan een onrechtvaardige verdeling. Dit zijn slechts  namen die
              gij uitgedacht hebt -gij en uw vaderen- waarvoor Allah geen gezag
              heeft  nedergezonden.  Zij  volgen  slechts  hun   vermoedens  en
              begeerten. En  voorzeker de  leiding van  hun Heer  is nu tot hen
              gekomen."  (Heilige Koran 53:22-24).
        
              Intussen had  het gerucht  zich verspreid  dat de  Quraish tot de
              Islam waren overgegaan. De gelovigen die zo’n twee a drie maanden
              tevoren naar Abessinie waren gegaan, waren zeer verheugd toen zij
              dit nieuws  hoorden en  overwegende dat  zij nu  niet meer zouden
              worden vervolgd, keerden zij snel terug. Zij werden echter bitter
              teleurgesteld  toen  zij  er  achter  kwamen  dat  alles  op  een
              mystificatie berustte. De meeste   keerden terug  naar Abessinie,
              maar sommigen bleven achter in Mekka.       

Dit is in het kort het verhaal over het "vergelijk" zoals verteld door de orientalisten op gezag van  Wakidi en  Tabari en  dat zij triomfantelijk de “ Afdwaling van Mohammed “ noemen.        

Wanneer  wij   de  auteurs   bestuderen,  die   William  Muir  en Montgommery  Watt  hebben  geciteerd  en  waarvan  hierboven  een samenvatting is gegeven, dan vinden wij dat hun verhalen gebreken vertonen en onvoldoende  aannemelijk  zijn  om  als  werkelijk te worden aanvaard.        

De  allereerste  bewering,  degraderen  de eerste Moslims tot een lage en nederige status  die  in  strijd  is  met  de  feiten. De verhalen  aangehaald  door  Montgommery  Watt op gezag van Tabari beschrijven hen als “ de slaven van die en die en  de afnemers van die en  die", hetgeen  niet waar  is. Een paar slaven daargelaten waren de eerste Moslims, die  Islam  omstreeks  het  5e  jaar van Mohammeds  missie hadden aanvaard, volgens Montgommery Watt, vrije en zelfstandige personen die  tot de  middelbare klasse behoorden en enige  van hen  behoorden zelfs  tot de  hogere klasse. Het is verbazend dat op pagina 6  van  zijn  boek  "Mohammed  at Mecca", Montgommery Watt  de eerste Moslims beschrijft als mensen met een hoge status en op pagina  102  van  hetzelfde  boek,  een verhaal verteld dat dezelfde personen afdoet als slaven.       

De beschuldiging  dat de  Heilige Profeet van plan was de Quraish aan zich  te binden  door hun  afgoden te  aanvaarden is eveneens onjuist.  Muir  is  erop  gebrand  deze  gedachten aan hem toe te schrijven. Hij  beweert dat  de Heilige  Profeet bijzonder gretig was  om  de  steun  van  de Quraish te verkrijgen, maar zij waren onherroepelijk met hun afgoderij  verbonden.  Op  grond  van deze veronderstellingen  komt  hij  tot  de  conclusie  dat de Heilige Profeet geen andere keus had dan toe te geven en de goddelijkheid van hun  afgoden te  erkennen. Dit  is echter  puur een geval van wensdenken. In zijn opzet zijn beschuldiging aannemelijk te maken schrijft Muir aan de Heilige Profeet gevoelens toe die hij nimmer heeft  gehad.  Wat  betreft  de  geest  van  de  Heilige  Profeet bevestigt de  Heilige Koran  uitdrukkelijk dat  "hij noch spreekt

naar eigen  begeerten “, inhoudende  dat zijn  ideeën en gevoelens strikt  volgens  de  openbaringen  zijn  die  hij  ontving en die afgoderij  volledig  uitsluiten.  Bovendien,  volgens  de Heilige Koran waren het juist de ongelovigen die in deze richting dachten en zonder enig succes met kracht naar een vergelijk streefden.        

De  beschuldiging  maakt  er  tevens  aanspraak op dat de Heilige Profeet lofliederen zong ter ere van de afgoden in het gebied van de  Quraish.  Dit  is  tevens  in  strijd met het karakter van de Heilige Profeet. Hij kan toch  onmogelijk  datgene  doen  wat hij altijd  liep  te  veroordelen.  De Quraish hadden hem voortdurend interessante lokmiddelen aangeboden en zelfs gedreigd  met wraak, indien hij niet toegaf aan hun wensen. En de geschiedenis verteld ons dat hij hier nimmer voor bezweek.        

Drie delegaties gezonden door de hoofden van Mekka bezochten zijn oom  Abu  Talib  en  zetten  hem  onder druk om hem zijn neef het afkeuren van de afgoden te ontraden. Abu Talib sprak hierover met zijn  neef, maar  de Heilige Profeet weigerde krachtig  hieraan toe  te geven. Eens toen het erop ging lijken dat Abu Talib de druk niet langer meer kon weerstaan en op het punt  stond zijn  neef in  de steek te laten stond de Heilige Profeet op en zei :        

         “Indien zij de zon aan mijn rechterhand zouden brengen en de maan
         aan  mijn  linkerhand,  om  mij  van  mijn belofte af te brengen,
         waarlijk ik zal niet ophouden totdat de Heer mijn missie openbaar
         maakt of ik zal in mijn poging ten gronde gaan."        

De  grote  standvastigheid  die  de Heilige Profeet gedurende dit beslissende  moment  ten  toon   spreidde  sluit   zijn   beweerde afdwaling  uit.  Bij  dit  bijzondere  voorval  moet  goed worden onthouden dat hij het  meest kritieke  moment in  zijn leven meemaakte; hij  was in  dodelijk gevaar vanwege het verliezen van de sympathie en bescherming van zijn  weldoener. Maar  zelfs toen bezweek hij  niet en weigerde hij in elk opzicht tot de erkenning van de afgoden over te gaan.  Hoe is  het dan  mogelijk, zoals de orientalisten  beweren,  dat  op  een zekere dag in de dagelijkse routine van de recitatie van de Heilige Koran en in  de nabijheid van de Ka'ba hij uit zichzelf de goddelijkheid van de afgoden zou erkennen,  terwijl de  ongelovigen  zonder  dreiging   naar  hem luisterden. Dit is onbegrijpelijk en in strijd met de rede.        

Volgens Ibne  Sa'd vond  de emigratie naar Abessinie plaats in de maand Rajab in het 5e jaar van de Heilige Profeet's roeping. Drie maanden verstreken  toen de misleidende geruchten van de bekering van de Mekkanen de ronde deden en de vluchtelingen opnieuw  in de stad  verschenen.  Gelet  op  deze  feiten  zou de episode van de satanische verzen plaats  hebben  gevonden  in  een  van  de drie maanden Rajab, Sha'baan en Ramadhan. Volgens  Noldeke  werd  het  hoofdstuk  al-Kafiran aan de Heilige Profeet  in  het  4e  jaar  van  zijn  roeping  geopenbaard.  Dit hoofdstuk  veroordeelt  totaal  het  idee of een vergelijk met de afgodendienst en verkondigt nadrukkelijk de eenheid van God. Hoe kon het dan mogelijk zijn  dat alleen een paar maanden na deze  duidelijke bekendmaking  de Heilige  Profeet een dergelijke godslastering zou kunnen uitspreken.        

Er is nog een andere opvallende tegenstrijdigheid in de traditie. Het verhaal  gaat dat  toen het de Heilige Profeet duidelijk werd wat Satan had gedaan en wat hij onder  diens invloed  had gezegd, hij  uitermate  bedroefd  was.  Om  hem te troosten openbaarde de Almachtige God aan hem vervolgens vers  52 van  hoofdstuk 22. Dit suggereert dat  de auteur  van deze traditie hopeloos onkundig is omtrent de chronologie van de Heilige Koran.        

Het 52-ste  vers van  hoofdstuk 22  werd in het 13e jaar van zijn roeping aan de Heilige  Profeet geopenbaard.  Dit anachronisme is voldoende om  de aangehaalde traditie niet te geloven en niet als authentiek aan te merken. Muir heeft dit gedeelte van de traditie juist op grond hiervan afgewezen. Als een essentieel gedeelte van een traditie als een verzinsel wordt  aangemerkt dient  de gehele traditie te worden afgekeurd.        

Verder dient  te worden  gewezen op  het feit dat het 52-ste vers van hoofdstuk 22 niets te maken heeft met  de beweerde satanische verzen.  Het  belichaamt  een  algemene waarheid, dat wanneer een profeet van plan is de Eenheid  van  God  tot  stand  te brengen, mensen  met  slechte  bedoelingen  allerlei  soorten hindernissen opwerpen om zijn missie te frustreren; maar zij  falen hierin. De Almachtige God  verwijdert deze  hindernissen en laat het streven naar de waarheid overwinnen.       

Muir komt met een  ander argument,  betreffende de authenticiteit van de tradities. Hij stelt dat:       

 "De zegslieden te belangrijk zijn om de tradities af te keuren."        

Laten wij nu eens de waarde van deze zegslieden bestuderen. De  tradities  door  Muir  geciteerd zijn verhaald door Tabari en Wakidi. Tabari is gelet op zijn  geschrift "  De geschiedenis van naties en  koningen", een  lichtgelovige schrijver die geen enkel onderscheid maakt. Wat Wakidi  betreft  is  het  volgende oordeel door zijn critici en tijdgenoten opvallend en maakt duidelijk dat hij bijzonder ongeloofwaardig  is.  Meer  wetenschappers  die dit oordeel over  hem delen kunnen worden geciteerd, maar de volgende drie moeten voldoende zijn  aangezien een  van hen  een bijzonder betrouwbare  verhaler  voor  de  tradities  is  en de andere twee beroemde stichters van juridische  scholen. Gelet  op het oordeel van de gerenommeerde wetenschappers moet het duidelijk zijn dat de tradities door Wakidi verhaald niet zomaar moeten worden aangenomen, maar aan een diep onderzoek dienen te worden onderworpen.        

1.      Wakidi verdient het niet dat enige traditie aan hem kan worden toegeschreven.
2.      Wakidi is een schandalige leugenaar. Hij is verslaafd aan het verzinnen van tradities.
3.      Wakidi's  geschriften zijn zonder enige uitzondering een verzameling leugens. Hij was gewoon zegslieden te verzinnen.        

Orientalisten  accepteren  Wakidi  aangezien  het  hun  vaak goed uitkomt.        

Het moet  op prijs  worden gesteld dat de tradities, die Montgommery Watt van Tabari  aangehaald heeft, worden toegeschreven aan een zekere  Abdul Aliya,  die Islam aannam twee jaar na het over lijden van de  Heilige  Profeet  (v.z.m.h.).  Volgens  zijn eigen bekentenis duurde  het 10 jaar om de Heilige Koran te leren nadat hij Islam had aanvaard. Er waren dus 20 jaar verstreken sedert de beweerde  episode  van  de  satanische verzen zou hebben  plaatsgevonden, toen  hij  de  Islam  aanvaardde. Zijn verhaal berust derhalve op horen zeggen en is daarom niet te vertrouwen.        

Er is  nog een  ander punt  in deze  context dat  dient te worden vermeld. Ongeveer 83 metgezellen van de Heilige Profeet vluchtten naar Abessinie voordat de gebeurtenis plaats zou hebben gevonden. Toen het  gerucht zich  verspreidde dat de Quraish de Islam hadden aanvaard kwamen  33  van  hen  terug  naar  Mekka  waaronder vele beroemde metgezellen  zoals Hazrat  Uthman bin Afan, Hazrat Abdul Rahman bin Auf, Hazrat Mua’b bin  Umayr, Hazrat  Uthman bin Mazun en  Hazrat  Zabayr  bin  al-Awam. Zij waren prominenten met onafhankelijke meningen en zij waren speciaal teruggekomen in verband met de beweerde periode. Het lag voor de hand dat zij de waarheid zouden  willen  weten.  Maar  zij  geven  geen  enkele aanwijzing omtrent het  bestaan van  satanische verzen.   Hoe  kan dan Abdul Aliya, die twintig  jaar  later  pas  Islam  aanvaardde,  als een betrouwbare verhaler van tradities worden geaccepteerd. Bovendien      nemen de zes canonieke  boeken over  tradities namelijk: Bukhari, Muslim,  Abu  Daud,  Tirmidhi,  Nursai  en  Ibn  Maja geen enkele notitie  van  de  tradities  waarop  Muir   en  Montgommery  Watt vertrouwen. Nog een aanwijzing van hun ongeloofwaardigheid.        

Indien  het  verhaal  van  de  satanische  verzen op waarheid zou hebben berust dan zouden de  logische  gevolgen  zoals  door Muir vermeld  zeker  hebben  plaatsgevonden.  De gelovigen zouden zijn aangeslagen en door grote  twijfel zijn  overmand en  zelfs waarschijnlijk  hun  geloof  in  de Heilige Profeet zouden zij hebben opgegeven. Daarnaast zouden de  Quraish zeker  dit punt propagandistisch  hebben   uitgebuit.  Maar  niets  dergelijks  gebeurde. Gedurende deze periode accepteerden ongeveer 50  zielen Islam. De Meesten  van  hen waren  integere personen  met een grote invloed. Zij hadden uit eigen vrije wil  de Islam  aanvaard en  het begrip omtrent de  Eenheid van  God was  de voornaamste leerstelling die hen van de ongelovigen onderscheidde. Indien zoals beweerd, de  Heilige Profeet  op dit  punt, dat toch een  van  de  belangrijkste  leerstellingen  van de Islam is, een compromis had gesloten, hoe hadden zij  dan kunnen  voortgaan met hem op handen te dragen? Het is  een feit  dat geen een van hen aanmerkingen op hem maakte. Integendeel, hun trouw nam juist toe en vele van hen zoals Hazrat Abu  Bakr,  Hazrat  Uthman,  Hazrat Ah, Hazrat Sa'ud bin Waqqar, Hazrat Ubeidah bin Al-Jarrah,  Hazrat  Abdullah  Masud  en Hazrat         Musa bin Umayr werden in latere jaren grote leiders in de Islam. 

Evenzo zien  wij de  Quraish volkomen falen in het stappen van de bekeringen. Muir zegt dat  de  Mekkanen  met  de  Heilige Profeet discussieerden en  hem hoonden.  Dit was geen nieuw verschijnsel. De Quraish hebben de  Heilige  Profeet  van  het  begin  van zijn prediking af aan belachelijk gemaakt en bespot. Zouden de Quraish de verdere  bekering  hebben  kunnen  stoppen  door  het beweerde compromis uit  te spelen den zou dit het verhaal aanzienlijk meer gewicht hebben gegeven.  Maar  wij  zien  juist  dat  in  de door     Montgommery Watt  aangegeven periode, waarin de satanische verzen een deel van de Heilige Karen zouden hebben  gevormd de vermaarde Umar de Islam aanvaardt.        

Zou iemand  durven beweren  dat Hazrat  Umar de Islam aanvaardde, omdat hij Let, Uzza en Manat om tussenkomst had kunnen vragen? Het is absurd om zoiets te kunnen bedenken. 

Montgommery  Watt  beweert  verder  dat  de  verzen 64 t/rn 66 van hoofdstuk 39 duidelijk de verleiding van de Heilige Profeet openbaren deelgenoten aan God toe te schrijven. Wij halen de genoemde verzen hieronder aan, zodat iedereen zelf kan lezen  dat zij deze gevolgtrekking niet  bevatten maar juist opdracht geven de strijd tegen de afgodendienst te intensiveren.        

         Zeg: "O (Mohammed),  gij onwetenden,  beveelt gij  mij iets buiten
         Allah te  aanbidden? En voorwaar, aan U, zoals aan hen die voor U
         waren is geopenbaard: “Als  gij deelgenoten  aan God toeschrijft,
         zal uw  werk stellig vruchteloos blijken en gij zult zeker tot de
         verliezers behoren. Neen, dient  Allah alleen  en behoort  tot de
         dankbaren.”        

Het  vers  136  van  hoofdstuk 6 door Montgommery Watt aangehaald geeft ook  geen steun  aan zijn  beweringen. Het  zinspeelt op de praktijk van de afgodendienaren om God alleen in naam te erkennen en verder door te  gaan met  de praktijk  hun afgoden  te blijven aanbidden. Vervolgens haalt Montgommery Watt Surah-al-Kafirun aan en de  verzen 56-71  van hoofdstuk  6 om  zijn beschuldigingen te bewijzen. De Surah al-Kafirun bevat een totale en onherroepelijke aanklacht tegen de afgoderij en de  verzen 56  en 71  van Surah 6 veroordelen de  afgoderij streng.  Montgommery Watt maakt omtrent de 3 genoemde passages de volgende opmerking:   

  “Het feit dat er drie afzonderlijke passages (die  afgoderij ver-
  oordelen) doen  vermoeden dat  de verleiding  bij Mohammed om tot
  een compromis te komen  voor een  aanzienlijke tijdsbestek duide-
  lijk aanwezig is geweest."        

Een bepaald  niet wetenschappelijke  benadering en de opmerkingen moeten dan ook als een product van Montgommery Watts obsessie om ten koste  van alles  de Heilige  Profeet zwart  te maken, worden afgedaan.        

Hiermede wens ik de  door de  orientalisten aangehaalde tradities en verzen  van de  Heilige Koran, die zij aanvoeren om de Heilige Profeet  van  afgoderij  te  beschuldigen  te  verlaten  en enige argumenten  te  behandelen  die  zij  aanvoeren  op basis van het gezonde verstand.        

Montgommery Watt verwijst naar  de mogelijkheid  van een geleidelijke ontwikkeling.  Hij stelt  dat Moslims zich niet bewust zijn van dit idee en  zegt dat  vanwege hun  onwetendheid zij  niet in staat zijn  het feit te aanvaarden dat het begrip monotheïsme bij de Heilige Profeet geleidelijk  vorm  heeft  gekregen.  Hij moet, zoals het de gewoonte van zijn milieu was, Arabische goden hebben erkend en vanwege zijn  respect  voor  deze  godheden  hen hebben geprezen in Surah al-Najm.        

Allereerst  moet  worden  vastgesteld dat het begrip geleidelijke ontwikkeling door Islam zelf wordt geformuleerd. De grondgedachte in haar meest complete vorm wordt verwoord in het eerste vers van Surah al-Fatiha. Het vers zegt dat Allah Rabb-ul-Alameen is, hetgeen betekent  de Heer  der Werelden.  Rabb betekent: het brengen van een ding of zaak tot een staat van voltooiing door middel van stappen. Dit betekent zonder twijfel evolutie. 

Ten  tweede  werd  de  Heilige  Koran  in een periode van 23 jaar nedergezonden; een periode waarin Islam werd vervolmaakt, hetgeen een  geleidelijke  ontwikkeling  met  zich  meebrengt. De Heilige Profeet was zich  volledig  bewust  van  het  begrip geleidelijke ontwikkeling gelet op de instructies die hij aan Muadh Sin-Jabbal gaf toen hij hem naar Jemen zond om de inwoners  tot de  Islam te bekeren.  Hij    instrueerde  hem   om  hen   geleidelijk  aan  te onderwijzen en te trainen.        

Voorzover het de persoon van de Heilige Profeet betreft stond hij niet boven  deze wet.  De Heilige Koran noemt hem een sterveling, onderworpen aan de relevante wetten van groei en verval. Niemand kan ontkennen dat  zijn  kennis  omtrent  de  krachten en Majesteit van  God en  de werking  van Zijn  eigenschappen in dit universum   zich   geleidelijk   aan   ontwikkelen.  Uiteindelijk verscheen de  Namus of  Gabriel aan  hem veer  het eerst toen hij veertig jaar oud was en  hij  een  lange  tijd  van  meditatie en       toegewijde gebeden  in de  afgeslotenheid van de grot Hira achter de rug had. Het vers: "God vond U verloren en op zoek naar hem en leidde U  naar Hemzelf"  wijst naar dezelfde waarheid.        

Het   volgende   vers   in   de  Heilige  Koran  ondersteunt  ons gezichtspunt:        

         "En zo hebben Wij  u een  woord door  Ons gebod  geopenbaard. Gij
         wist niet  wat het Boek noch wat het geloof was. Maar Wij maakten
         het tot een licht waarbij Wij leiding verlenen aan diegenen Onzer
         dienaren die  Wij willen.  Voerzeker, gij (profeet) leidt de mens
         zeker naar het rechte pad."        

Maar er is een wereld van  verschil tussen  volledige verlichting in  God  en  in  het  zich  realiseren dat Hij Een is zonder enig deelgenoot. De Heilige Profeet  had  van  het  begin  af  aan een duidelijke  voorstelling  van  dit  aspect  van  het monotheïsme. Hierover uitdrukkelijk gevraagd heeft hij bevestigd dat hij zelfs gedurende zijn  kinderjaren nimmer  voor een  afgod heeft gebogen noch gegeten van het voedsel dat in hun naam was  geofferd. Er is geen sprake  van dat  Moslims in een vroeger of later stadium het verhaal hebben verzonnen. Het was op een tendentieuze manier door de  Quraish  uitgedacht  om  de  emigranten  terug  naar Mekka te lokken. Drie maanden voor het voorval van de  beweerde satanische verzen hadden  zij de  gelovigen naar  de kust  gejaagd, maar zij waren er niet in geslaagd om  ze te  grijpen aangezien  ze net op tijd  met  schepen  naar  Abessinie  waren  afgereisd. Zij hadden daarna twee prominente chiefs,  Abdullah bin  Ribiyya en  Amr bin As'bin Wah  naar de  Negus gestuurd  in een  poging de emigranten uitgeleverd te krijgen. De  delegatie gaf  hem en  zijn generaals vele  waardevolle  geschenken  en  hoewel de laatsten het verzoek ondersteunden weigerde de Negus de vluchtelingen  uit te leveren. Razend  hierover  gingen  de  Quraish  op  zoek  naar  een andere mogelijkheid. Zij kregen deze toen tijdens de recitatie  van Sura al-Najm  de  gelovigen  en  de  Quraish  uit  ontzag  voor  God's Majesteit zich tegelijkertijd ter aarde wierpen.        

Muir suggereert dat de ongelovigen  dit  deden  omdat  de Heilige Profeet hun  afgoden had  erkent. Maar  dit is onjuist. Zij deden dit omdat zij in God's Oppermacht geloofden ondanks  het feit dat zij aan God ook deelgenoten toeschreven en aanbaden. Na het  aanhoren van  Surah al-Najm wierpen zij zich spontaan ter aarde, want de Surah verkondigde Zijn Majesteit in  een bijzonder dwingende en  een ontzag  inboezemende wijze.  De Quraish buitten deze gebeurtenis met grote  behendigheid uit  en verspreidden het verhaal dat  zij Islam  hadden aanvaard. Zij wensten de terugkeer van de gelovigen naar Mekka.        

Momenteel zal geen enkele oriëntalist beweren dat het verhaal dat de Quraish op dat moment de Islam aanvaarden op waarheid berust. Dit  feit  alleen  is  al  voldoende  om het argument van Muir en Montgommery Watt te logenstraffen.       

Het is aannemelijk dat toen de Quraish het  gerucht verspreidden, zij het verhaal van de satanische verzen hebben toegevoegd om het geheel overtuigender te maken. Iemand van hen kan de tekst van de satanische verzen hebben uitgesproken toen de Heilige Profeet hun afgoden veroordeelde gedurende het reciteren van Surah al-Najm. Het was gebruik dat de  Quraish  een   heleboel   lawaai  maakten tijdens voordrachten  uit de  Heilige Koran.  Het hele verhaal is een vernuftig verzinsel van de  Quraish  dat  zij  handig  aan de Heilige profeet toeschreven.        

Aan het einde van dit verweer wil ik de aandacht van de lezer nog eenmaal  leiden  naar  een   belangrijk  aspect.   De  innerlijke bewijskracht  die  door  bet  hoofdstuk  al-Najm naar voren wordt gebracht en in  bet  bijzonder  die  aan  de  beweerde satanische verzen  voorafgaande  verzen  laat  zien dat het hele verhaal een verzinsel is.

Dat is alles dat het begeerlijk is om het goede in voor deze keer vorm kamagra bijwerkingen weten is is in een geheel andere vorm kamagra 100mg dit is wat we ook gedenken.