Ahmadiyya Moslim Gemeenschap

Nederland

De komst van de beloofde Messias

1)      Toen Jezus uit zijn graf verrees, was hij niet een geest, maar een normaal mens met een sterfelijk lichaam. Dit was de reden, dit was de reden, waarom hij zich niet in het openbaar vertoonde. Hij ontmoette zijn discipelen in het geheim. Hij at en dronk. Toen zijn discipelen meenden, "dat zij het met een geest te doen hadden", omlijnde hij het feit, dat hij een sterfelijk lichaam had, met een duidelijke verklaring: "Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben het zelf, tast mij aan en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, gelijk gij ziet dat ik heb" (Lucas 24:37-41).

De laatste zinsnede "en is gezeten aan de rechterhand Gods" maakt de gehele verklaring onbetrouwbaar, aangezien men zich niet kan voorstellen, dat de schrijver zelf ook in de hemel opsteeg en zag, dat Jezus aan de rechterhand van God zat. De waarheid van de twaalf laatste verzen van Markus is als volgt: 

"De twaalf laatste verzen werden nog later toegevoegd (aan het originele verslag) en waarschijnlijk in de tweede eeuw, en een ander om de plaats in te nemen van het eind, dat verloren was gegaan, dan wel als onvoldoende werd beschouwd. (Het bewijs voor het feit, dat de twaalf laatste verzen niet van de de­zelfde auteur zijn als de rest van dit Evangelie wordt gele­verd in Wesrcott en hort's "New Testament in Greek" app. pag.29. (Zie Encyclopaedia Brittannica Ed. 11. Vol. 17,pag.7­30) (10).

Men kan hieruit de redeloosheid inzien om dit dogma op autoriteit van het verslag van Marcus aan te nemen.

Hier volgt het verslag van Lucas:

"En hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en zijne handen opheffende, zegende hij hen. En het geschiedde als hij ze zegende , dat hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel" (11). 

Derhalve werd hij vol­gens Lucas van zijn metgezellen afgezonderd, hetgeen in het geheel niet betekent, dat zij hem in de hemel zagen opstijgen. 

In Handelingen 1:9 lezen wij hierover:

"En als hij dit gezegd had, werd hij opgenomen daar zij het zagen, en eene wolk nam hem weg van hunne oogen" (12). 

Welnu, dan, het feit, dat hij aan het gezicht onttrokken betekent evenmin, dat hij ten hemel opsteeg. Het is zeer goed mogelijk, dat hij een berg beklom en dat hij aan hun gezicht werd onttrokken, doordat de top in de wolken gehuld was. Hij zou dan zijn weg aan de andere kant bergafwaarts vervolgd kunnen hebben om naar andere streken te emigreren, alwaar hij buiten het bereik van de Joden zou zijn, die hem vervolgden. Johannes bevestigd deze theorie, door te zeggen, dat Jezus zijn discipelen voor het laatst in Tiberias ontmoette en tot Petrus zeide: Weid mijne schapen" en tot een andere discipel, die Jezus liefhad, hem volgde.

Deze laatste regels geven duidelijk en ondubbelzinnig te kennen, dat Jezus naar een andere land uitweek. Het is derhal­ve duidelijk, dat zowel het verslag van Johannes als dat van Mattheus deze theorie sterk bevestigen, terwijl zij beiden de Hemelvaart in het geheel niet vermelden. Men moet voor ogen houden, dat zowel Mattheus als Johannes metgezellen van Jezus waren, en dat hun verslagen dientengevolge meer vertrouwen dient te worden geschonken dan aan die van Lucas en de andere aposte­len, die in zeer bedekte en dubbelzinnige termen op zijn hemelvaart schijnen te doelen; de laatsten waren bovendien geen metgezellen van Jezus. We merken voorts op, dat zij het onderling op verschillende belangrijke punten oneens zijn, hetgeen als een bewijs kan dienen van hun onbevoegdheid als betrouwbare zegslieden. Een van hen vertelt, dat Jezus in Bethanië ten hemel opsteeg, een andere vanaf de Olijfberg, volgens een derde vanuit Jerusalem en een vierde vanuit Gali­lea, terwijl Johannes verklaart, dat Jezus zijn discipelen voor het laatst in tiberias ontmoette. We komen derhalve tot de slotsom dat het verkeerd is om de theorie van de Hemelvaart op zulke wankele grondslagen baseren. We kunnen dientengevolge ook niet volhouden, dat Jezus bij zijn tweede komst noodzake­lijkerwijs in zijn lichamelijke gestalte uit de hemel moet nederdalen. De Joden konden de waarheid niet inzien door een dergelijk volharden, hetwelk zij baseerden op een verkeerd uitgelegde zinsnede van hun geschriften. In het Oude Testament staat namelijk het volgende: “alzo voer Elia met een onweder ten hemel" (14), en verder dat hij (Elia) voor de komst van de Messias terug zou komen (15).

De Joden verwachtten daarom de komst van Elia voordat de Messias kon verschijnen. Daar hij echter niet letterlijk uit de hemel nederdaalde, weigerde zij Jezus als de Messias te aanvaarden. De discipelen ondervroegen Jezus hieromtrent als volgt: "Waarom, zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen?". Hij antwoordde hierop :"Elia zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; maar ik zeg u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben gewild". op deze wijze vestigde Jezus de aandacht op het verkeerde in het Joodse geloof, voor zover dit Elia betrof. Hij ruimde een foutieve interpreta­tie in hun godsdienstige literatuur uit de weg, en maakte het hun duidelijk, dat de profetie ten aanzien van zijn tweede komst eveneens aangaf, dat een andere zou komen, met dezelfde geest en macht, evenals Johannes de Doper gekomen was met dezelfde geest en macht als Elia. Als we het kunnen aannemen, dat iemand uit de hemel kan nederdalen, dan zou de verklaring van Jezus, waarbij Elia door Johannes den Doper wordt voorge­steld, en zijn plaats inneemt bij zijn tweede komst, welke voorspeld was, onjuist zou zijn, omdat duidelijk in de Joodse geschriften wordt verklaard, dat Elia ten hemel was opgeste­gen. Bovendien was er een ondubbelzinnige profetie ten aanzien van zijn komst voor de komst van de Messias, welke zo algemeen bekend was, dat Jezus deze niet kon verwerpen; hij bevestigde de profetie en legde hem in tegen­stelling met de foutieve Joodse interpretatie uit. We moeten hier voor ogen houden, dat Elia niet terwille van Jezus door God uit de hemel werd gezonden, maar dat Hij hem (Jezus) de profetie op een andere wijze als de Joden deed uitleggen. We kunnen dus niet verwach­ten, dat God Jezus uit de hemel zal nederdalen om het in zwang zijnde geloof te bevestigen. Het is meer dan duidelijk, dat iemand anders met zijn voorkomen en met al zijn capaciteiten zal verschijnen. Jezus, zelf zeide:

"Ziet toe dat u niemand verleide; want velen zullen komen onder mijnen naam, zegende: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden" (17). 

Als hij bedoelde, dat de Messias uit de hemel zou komen, vergezeld van Engelen, dan zou Jezus gezegd hebben: "Maar zij kunnen niemand bedriegen, daar zij op aarde zullen ontspruiten, en Ik, de werkelijke Messias, zal uit de hemel nederdalen". Dit teken zou voldoende zijn en het zou overbodig zijn om andere te vermelden. Maar Hij verklaarde, dat de tekenen, ter aankon­diging van de tweede komst gelijksoortig zouden zijn aan die van de tweede komst van Elia in zijn eigen tijd. Hij voorspel­de dit duidelijk door te zeggen, dat hij als een dief zou komen en op een zeer onverwacht tijdstip, "Want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen" (18).